De kerktoren, waarvan bijna een uur geleden de klokken hadden geklonken, tekende zich scherp af tegen de ondergaande zon. Het laatste licht van de dag weerkaatste op het wateroppervlakte. Meeuwen scheerden schreeuwend over op zoek naar vis en alles wat ze verder te pakken konden krijgen. Ik hield de reling vast terwijl de veerpont deinend zijn weg zocht naar de overkant. Het was voorbij. Als een weduwe zonder gezicht was ik vanmiddag opgegaan in de massa. Ik had de handen geschud van onbekende mensen en in betraande ogen gekeken die schrikbarend vertrouwd waren zonder dat ik ze ooit had gezien. En voor het eerst en voor het laatst zag ik zijn enige zoon die meer op hem had geleken dan foto’s hadden doen vermoeden.

Om me heen hielden mensen hun fietsen in evenwicht. Een man die een gitaartas op zijn rug droeg, liefkoosde zijn herdershond die aanhoudend jankte. Naast me stond een moeder met een wandelwagen met daarin een peuter. Rossige krullen staken onder de muts van het jongetje uit. Zijn wangen waren vuurrood van de kou. Hij speelde zoet met de portemonnee die zijn moeder hem had gegeven omdat ze klaarblijkelijk niets anders voorhanden had gehad. Hoe zou een kind van ons samen eruit hebben gezien? Niet doen, hield ik mezelf voor. Er was geen later meer.
We naderden het drierivierenpunt. Ik zag het bankje aan de overkant op de kade. Slechts een week geleden zaten we daar samen niet wetende welk rampspoed er boven onze hoofden hing. ‘Ik bel je mijn lief, ik bel je snel,’ had hij gezegd voordat we afscheid namen maar het was aanhoudend stil gebleven. En alsof ik het voorvoelde, had ik twee dagen later het NRC opengeslagen in de stationskiosk.

‘Hoi mevrouw, uw vervoersbewijs alstublieft,’ vroeg het meisje dat de abonnementen controleerde vanuit ogenschijnlijk niets. De winterse omstandigheden leken geen grip op haar te hebben evenmin als de golven. Ze droeg de pet met daarop het logo van de veerdienst met een zekere bravoure. In dit buitenkind moest een toekomstige binnenschipper schuilen. Snel haalde ik mijn OV-chipkaart uit mijn jaszak en overhandigde haar deze.

‘Alsjeblieft,’ zei ik. Op het naambordje dat was bevestigd op haar donkerblauwe jack, las ik dat ze Sharon heette. Routinematig controleerde ze de gegevens van het blauw met witte pasje waarvan de opdruk al enigszins afgesleten was.

‘Bedankt en nog een prettige reis,’ zei Sharon toen ze me mijn OV-chipkaart teruggaf. Daarna wendde ze zich tot de moeder met de kinderwagen naast me. De vrouw opende daarop de portemonnee, die de peuter immer stevig in zijn kleine, mollige knuistjes had geklemd, om eveneens haar vervoersbewijs te pakken. Ik keek opnieuw uit over het water dat steeds weer leek te fragmenteren in spiegelende scherven. Rechts van ons passeerde een vrachtschip dat zwoegde onder het vervoer van de zware lading in zijn ingewanden.

Het moest zijn gebeurd in het tijdsbestek van enkele seconden. Toen ik me omdraaide, sloegen meerdere mensen op de veerpont het tafereel verschrikt gade. De man met de herdershond kwam al aangelopen om zijn hulp aan te bieden. Sharon tastte voorzichtig met haar vinger rond in de haast tandeloze mond van het jongetje in de wandelwagen. Het duurde niet lang maar de tijd die verstreek leek eindeloos. ‘Ik heb hem,’ sprak ze vervolgens kalm. ‘Rustig maar mensen, het gaat goed met hem.’ In haar hand hield ze het muntstuk dat de watervlugge peuter, in dat ene onbewaakte ogenblik, uit de geopende portemonnee had weten te halen. De opvarenden sloegen als zijnde één, een verlossende zucht.

‘God, ik weet niet hoe ik je moet bedanken,’ zei de moeder beduusd. ‘Ik had niet eens iets door tot hij begon te hoesten.’

‘Geen dank,’ antwoordde Sharon. ‘Ik zag het toevallig gebeuren.’ Om ons heen klapte een enkeling. En voor even vergat ik hoe donker deze dag was geweest bij de aanblik van die blauwe ogen in dat popperige gezichtje dat schuil ging onder de muts. Verontwaardigd keek het jongetje de wijde wereld in zich nog niet beseffend hoe breekbaar het menselijk bestaan was. Ik onderdrukte de neiging om hem over zijn wangen te strijken.

De rust keerde weder. Verenigd door het toeschouwerschap van wat zich zojuist had afgespeeld, drong niemand voor om als eerste van boord te gaan. Gestadig vormden we een rij om beurtelings de veerpont te verlaten. De herdershond stopte met janken toen hij eenmaal weer vaste grond onder zijn poten voelde. Sharon wenste alle iedereen afzonderlijk een fijne avond bij het verlaten van de veerpont.

‘Dag Sharon,’ groette ik haar terug toen ik over de loopbrug liep. ‘Bedankt dat je me weer veilig hebt thuis gebracht.’ Ze tikte even tegen de pet die stevig op haar hoofd stond ondanks de bries die altijd waaide langs de rivier. Achter me viel de duisternis langzaam in. Ik hoefde alleen maar mijn ene voet voor de andere te plaatsen om de avond tegemoet te lopen. Plotseling realiseerde ik me dat alles waar ik ooit bang voor was geweest, vanaf nu achter me lag. Ik had misschien veel verloren maar er lag nog zoveel meer in het verschiet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *