Haar fiets zat al scheef onder haar kont toen ze de hoek om kwam scheuren. De drempel aan het begin van de straat lag er op te wachten. Met een rottige smak ging ze tegen de grond, als een drenkeling zwaaiend met de opgestoken hand die haar mobieltje vasthield. Alsof ze het onding droog wilde houden.

 

“Gaat het?”, vroeg ik laf terwijl ik haar fiets van haar af haalde.

“Ja, laat u maar.” kreunde ze kwaad.

Haar geschaafde arm deed pijn om naar te kijken, dus ik hielp haar toch maar overeind.

“Niks gebroken?”

“Nee hoor. Ziet u mijn schoen?”

Verderop in de goot lag een rode pump. Ik gaf hem aan haar terug.

“Op die fiets kun je niet verder.”

“Oh nee hè!”

 

Haar voorwiel leek op een achtbaan, de lekke band hing als versiering losjes om de verbogen velg. Uit haar ooghoek dreigde een traan te ontsnappen maar ze sneed mijn medelijden de pas af en veegde ‘m snel weg. Dertien schatte ik haar, veertien, hooguit. Zonder iets te zeggen pakte ze mijn arm vast en begon ze haar schoen aan te trekken. Ik stond doodstil om haar wankele evenwicht niet te verstoren. Toen liet ze los, zette de telefoon aan haar oor en begon prompt te praten.

 

“Mam? Kun je me ophalen, ik ben gevallen! Met de fiets. Nee, gaat wel. Geschaafd. Panty stuk. Oh shit, mijn jasje is ook stuk, dat zie ik nu pas. Ja, ik wéét dat ik dat jasje van jou heb gekregen. O. Wacht even (..) Wilde u nog iets zeggen? (..) Nee, een meneer. Die heeft me opgeraapt. Mam? Er komt een auto aan. Ik bel je zo terug.”

 

Aan het eind van de straat kwam inderdaad een auto de hoek om. Hij toeterde daar maar vast omdat we hier zijn weg versperden. Ik maakte me kwaad en verheugde me op de ruzie die ik met dat stuk ongeluk zou gaan maken. Maar voor ik daarvoor de kans kreeg, had zij haar fietswrak al naar de kant gesleept. Zonder op of om te kijken reed een luidruchtig bellend bankierstype ons in zijn Audi Quattro voorbij. Ik keek hem na alsof ik hem persoonlijk verjaagd had. Toen ik me weer omdraaide zag ik voor het eerst het gat in haar panty. Het gaf haar iets stoers, iets van de straat. Het paste wel bij haar, bedacht ik met een glimlach.

 

“Hij kon best even wachten, die zenuwenlijder.”

“Hij zal wel haast hebben.”

“Kan ik nog iets voor je doen?”

“Nee, dank u. Mijn moeder komt zo.”

“Goed. Nou, het beste dan maar.”

 

De zoen op mijn wang kwam uit het niets. Voor ik het wist gaf ik haar een verwarde kus terug. Ze keek me verbaasd aan, er verscheen een verrassend volwassen lachje op haar gezicht. Een lachje waaraan ik heel even mocht zien hoe mooi ze ging worden.

 

Ik ben maar een kop koffie gaan drinken voor de schrik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *