Ik heb Dennis jaren geleden eens gezien, maar nu valt me de gelijkenis pas op. De smalle neus en de hoekige kaaklijn. Ik schud Dennis de hand, condoleer hem met zijn vaders overlijden en maak plaats voor de persoon in de rij achter me.

‘Meneer Holsbergen?’ Dennis legt zijn hand op mijn schouder. ‘Mijn ouders zeiden vaak dat u zo’n goede vriend was. Een echte vriend in moeilijke tijden. Dat zei pa nog toen hij in het ziekenhuis lag en wist dat de kanker gewonnen had.’ Hij kucht. ‘Jammer dat u naar het buitenland verhuisde en ik u niet beter heb leren kennen. Ik herinner me dat u weleens met me schaakte. Onze kinderen zijn ook fanatieke spelers.’

‘Je vader schreef me dat jullie twee zonen hebben.’

‘Ze zijn alweer veertien en zestien. Weet even niet waar ze zijn. Onze pubers waren het handen geven beu.’ Dennis beziet de lange rij en zucht. ‘Bedankt dat u helemaal vanuit Cadaqués gekomen bent.’

‘Reizen is inspannend voor me tegenwoordig, maar het is het minste wat ik voor Roelof kan doen. Bijzonder spijtig dat ik vorig jaar niet bij de begrafenis van je moeder kon zijn.’ Wat hebben Roelof en Janna over me verteld in de veertig jaar dat ik uit Nederland weg ben? In onze brieven hebben we in ieder geval nooit een woord geschreven over ons besluit. Ons pact van zwijgzaamheid. Het valt me steeds zwaarder, naarmate ik ouder word. Hoe heb ik er destijds zo lichtzinnig mee kunnen omgaan? Zo vlot in kunnen stemmen met hun verzoek? Het enige wat ik wilde, was de waas van droefheid doen optrekken. Dat ingesloten gevoel. Niet voor niets draaide ik tijdens onze autotochtjes het raam open, de kou trotserend. Ik weet nog dat ik maanden daarna, toen ik Roelof en Janna weer voluit hoorde lachen, besefte hoezeer ik die klanken gemist had. En daarna denderde mijn leven voort.

‘Ik zou graag eens bijpraten, voordat u teruggaat. Vertelt u me dan over uw vriendschap met mijn ouders? Er kwam bij mijn pa en ma altijd iets tussen als ik daarnaar vroeg.’

‘Nou, ik-’

‘Doet u me dat plezier. Als ik iets heb opgestoken, is het wel om niet alles op z’n beloop te laten. Mijn ouders zouden blij zijn geweest met onze ontmoeting, denkt u niet? Overmorgen elf uur?’

Dennis weet blijkbaar van niets. Heeft hij geen recht op de waarheid? Kon ik de vraag maar loslaten. Hoe vaak ben ik er niet over begonnen in mijn brieven naar Roelof en Janna om het papier vervolgens te verfrommelen? Stel dat mijn brief in verkeerde handen viel? Ik hoopte dat zíj erover zouden beginnen. Zonder vrouw of kinderen kon zo’n brief bij mij thuis tenminste geen commotie veroorzaken. Jammer dat Roelof zich zo op de vlakte hield als ik naar Dennis vroeg. Ik weet zo weinig over hem.

‘Dit is ons adres.’ Dennis overhandigt een papiertje.

 

Ik ben te vroeg en loop een kiosk binnen. Mijn lichaam voelt zwaar na de slapeloze nachten in het hotel. Wil ik het Dennis zeggen uit eigenbelang? Om verloren tijd in te halen? Nee! Hoe graag ik me eindelijk van de druk op mijn borst wil verlossen, ik doe het vooral voor Dennis. Hoe groot is de kans dat ik met mijn 79 jaar opnieuw naar Nederland kom? Ik repeteer de zinnen die ik ga zeggen, maar loop er net als afgelopen nacht in vast.

‘Wat zei u?’ De verkoopster kijkt me aan.

‘Niets, dank u.’ Ik verlaat de kiosk en loop rechtstreeks naar het huis.
De voordeur zwaait open, nog voor ik de bel indruk.

‘Goedemorgen. Kom binnen.’

Naast de kapstok hangen foto’s. Babyfoto’s van Dennis met Roelof en Janna als trotse ouders. Hun kleinkinderen. Het liefst wil ik de jongensgezichten van dichtbij bekijken. Vakanties die ze samen doorbrachten aan zee, zo te zien. Hebben Dennis’ herinneringen de waarheid niet ingehaald? Komt het er nu pas op aan die goede vriend te zijn?

‘Ik sta hier vaak langer dan de bedoeling is.’ Dennis raakt de foto van zijn ouders aan. ‘Kom, u zult wel zin hebben in koffie. U hebt mijn vrouw Iris al bij de begrafenis ontmoet?’

Mijn keel lijkt dichtgeknepen. Ik schud Iris de hand.

‘Mijn ouders kenden u al heel lang, toch?’ Dennis schenkt de koffie in.

Ik neem langzaam een slok en nog maar een. ‘Vanaf onze studententijd. Janna zat een jaar onder Roelof en mij.’

‘Wat bedoelde pa met dat u hielp in moeilijke tijden?’

‘Hebben je ouders ooit verteld hoe graag ze kinderen wilden? Dat lukte alleen lange tijd niet. Voor het eerst heb ik gezien dat verdriet klappen uitdeelt die harder aankomen dan een vuist. Ik hield hen voor moed te houden. Ik probeerde hen af te leiden, nam hen mee op dagtochtjes in mijn Opel Rekord. Ach, ze zouden ook voor mij hebben klaargestaan.’

Iris observeert me, richt haar blik vervolgens op Dennis. Ongemakkelijk ga ik verzitten.

‘Grappig,’ zegt Iris. ‘Jullie hebben iets weg van elkaar. De oogopslag, die neus.’

Ik kijk Dennis recht in zijn ogen. ‘Ik had maar wat graag zo’n zoon gehad.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *