Voor me op tafel staat een klein kubusvormig pakje. Niet groter dan een ringendoosje. Een touwtje houdt het inpakpapier op zijn plek. Geen plakband. De strik bovenop is niet strak aangetrokken en lijkt ieder moment los te kunnen schieten.
‘Wat is dat voor een doosje?’ vraagt mijn vrouw.
‘Boudewijn vroeg of ik er op wilde passen.’
‘Boudewijn? Hoezo?’
‘Hij kwam aan de deur. Had volgens mij haast. Morgen komt hij het weer halen.’
‘Wat is het?’
‘Een doosje.’
‘Ja, dat zie ik ook wel, maar wat zit erin?’
‘Ik weet niet. Heeft hij niet verteld.’
‘Zou het een ring kunnen zijn?’
‘Aan wie zou Boudewijn nu een ring willen geven?’
‘Nou ja, het zou wel mooi zijn als Boudewijn eindelijk iemand gevonden heeft die voor hem een ring waard is.’
‘Dan is het wel een mini-ringetje. Zo’n klein doosje.’
‘Kunnen we er niet voorzichtig inkijken? Gewoon het touwtje losmaken en het papiertje openvouwen.’
‘Nee, dat kan ik niet maken.’
‘Zeker weten?’
‘Zeker weten.’

Boudewijn is mijn beste vriend. Vanaf de lagere school al en via de middelbare school naar nu. Hij studeerde scheikunde, ik biologie. Ik ben in de ict beland, Boudewijn is onderzoeker. Eigenlijk weet ik niet wat hij onderzoekt. Als we elkaar zien, hebben we het over vroeger en nu, maar nooit over ons werk. Ook Anja, mijn vrouw, is op hem gesteld. Hij komt vaak en graag bij ons langs.
‘Weet je wat het met Boudewijn is,’ zei Anja eens, ‘zonder dat je hem ooit zult doorgronden, weet je dat het bij hem goed zit.’
Dat herken ik wel.

‘Wat staat daar nu?’ vraagt onze net volwassen dochter, terwijl ze aanschuift voor het eten.
‘Ach, een doosje van Boudewijn,’ antwoordt Anja nog voor ik kan reageren.
‘Wat zit erin?’
‘Weten we niet,’ zeg ik.
‘Een cadeautje?’
‘Niet voor ons in ieder geval,’ zegt Anja.
‘Maar wat doet het hier?’
‘Je vader past erop.’
‘En wat is het?’
‘Dat weten we dus niet,’ zeggen Anja en ik bijna tegelijkertijd.
‘Lekker dan.’
‘Hoezo?’ vraag ik.
‘Oom Bou stond laatst in de krant,’ negeert ze mijn vraag.
‘O ja, waarmee?’
‘Prijswinnend onderzoek naar radioactief materiaal. Ben ik de enige die hier weleens de krant leest?’
‘Ik heb het niet gelezen,’ antwoord ik.
‘Zo, zo, je vader heeft een beroemde vriend.’
‘Jazeker pap, ik zou maar eens nagaan waar Bou zijn erfenis heengaat.’
‘Dat zijn geen grappen, dame,’ zeg ik.
‘Hoezo niet, volgens mij heeft Bou best wat geld en hij heeft geen familie, dat heb je zelf verteld.’
‘Hij heet Boudewijn,’ zeg ik.
‘Oké, oké.’
We eten zwijgend verder.
‘Papa,’ zegt mijn dochter als ze rond half twaalf ’s nachts van haar kamer naar beneden komt, ‘volgens mij geeft het pakje licht.’
‘Lijkt me sterk.’
‘Kijk zelf maar.’
Ze steunt met haar armen op tafel en staart naar het doosje. Een blik vol gedachten. Gedachten die ze nooit direct uitspreekt. Ik loop naar haar toe. Anja ligt al op bed.
‘Ik zie niets.’
‘Zeker weten, pap?’ zegt ze zonder dat ik kan achterhalen of ze me in de maling neemt.
‘Ja. Zeker.’
‘Maar even serieus, wat zou Bou er nu in hebben gedaan?’
‘Ik weet het echt niet.’
‘Het is vrij simpel,’ zegt ze en strekt haar hand langzaam uit naar het pakje.
‘Niet doen.’
‘Waarom niet?’
‘Hou op, het is al laat.’
Soms zou ik in haar hoofd willen kruipen, om te weten te komen of ik nu streng moet zijn of dat ik het met een grapje af kan doen. Het maakt me onzeker.
‘Oké, ik stop al. Ik ga naar bed.’
‘Heb je morgen les?’
‘Om twee uur pas. Eén uurtje. Misschien ga ik wel niet.’
Terwijl zij de trap op stommelt, ga ik aan tafel zitten.
Wat zou er in het pakje zitten, vraag ik me af, waar heeft Boudewijn me mee opgezadeld?
Ik schuif mijn hand richting het doosje. Een klein rukje aan het strikje zal het pakje ontvouwen. Mijn dochter zei het al, heel simpel. Niemand die me kan zien. Voorzichtig pak ik een uiteinde beet en knijp erin.
Niet doen, denk ik en direct erachteraan, wat maakt het eigenlijk uit?
Net als ik aan het uiteinde wil trekken, meldt de mobiele telefoon zich met een vogelgeluidje. Ik trek mijn vingers terug van het touwtje.
Morgenochtend negen uur, schikt dat?
Ja, prima, app ik terug.
Een branderig gevoel kruipt door de vingertoppen die het uiteinde omklemden. Geschrokken sta ik op en loop naar de kraan. Het water brengt nauwelijks verkoeling. Daarna ga ik naar bed.
De volgende dag, negen uur precies, staat Boudewijn voor de deur.
‘Ik heb een beetje haast, kom een ander keertje binnen. Heb je de capsule?’
‘Capsule? Het leek me meer een doosje.’
‘Doosje, ook goed. Het heeft niet getrild toch?’
‘Nee, dat niet,’ zeg ik, wat overrompeld door de vraag.
Snel pak ik het doosje en overhandig het aan Boudewijn.
‘Wat zit er eigenlijk in?’
‘Als ik je dat zou vertellen, moet ik je doden,’ antwoordt hij met een knipoog, ‘Zullen we van het weekend een drankje doen?’
Hij vertrekt met een zwaai.
Mijn vingertoppen branden nog steeds.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *