Het is een merkwaardige uitdrukking voor iemand die niet uit het zuiden komt: ‘ik zie u graag.’ Lars kwam uit de kop van Noord-Holland. Het klopte niet. En bedoelen die Vlamingen nu echt, ik houd van je? Ik heb het nooit helemaal begrepen.

Mijn dronkenschap was snel geweken. Wat had ik gedaan? Een absolute ramp. Lars was zo even schielijk vertrokken na mijn poging hem te z oenen. Hoe kon ik er zo naast zitten? Ik had zijn natuurlijke charme aangezien voor affectie en leefde de hele avond al in de veronderstelling dat wij samen een geheim hadden. Het was geweldig geweest, ook hij speelde een rol. Kwam het door mijn  verlangen, was het de drank geweest? Hoe kon ik zo stom zijn ook maar een moment te geloven dat hij iets in me zag.  Het ergste moest nog komen. Ik kromp ineen aan de bar, kotsmisselijk van zelfwalging en teleurstelling. Ik zat daar maar, doodsbang voor wat komen ging.

Elk weekend waren we bij elkaar, vaak vaker. Een hechte groep vrienden, onaangenaam voor zijn omgeving. Dat zeg ik nu hardop, maar ik wist het toen ook al. Met zijn zessen waren we. Genoeg om in een café of op een feestje de toon te zetten. Zelfs als er één ontbrak bepaalden we de stemming met ons gebral. Hoewel, zonder Mark of Lars waren we duidelijk verzwakt. Mark, leader of the pack, was onbevreesd en met hem waren we onoverwinnelijk. Lars was een charmeur, maar wreed. Hij kon een jonge meid versieren, zoenen en dan na een paar minuten wegduwen.  grijnzend kwam hij naar ons en riep: hoerrr! Het meisje kon wel door de grond zakken; wij lachen. Onze minachting was meedogenloos en betrof Marokkanen,  alto’s, nerds, homo’s, al naar gelang de gelegenheid.

Twee dagen na mijn mislukte coming out kwamen we weer samen. Ik was doodop, had nauwelijks geslapen; had talloze excuses bedacht om nooit meer te komen; wilde Lars bellen maar durfde  niet;  dacht eraan om naar het zuiden te reizen en nooit meer terug te komen; pillen slikken of net zolang douchen tot ik zou oplossen in waterdamp. Uiteindelijk was ik als gewoontedier te laf en kon niets anders bedenken dan zelf naar de slachtbank te fietsen. Mark zou wel als eerste los gaan met zijn gebruikelijke hoon, maar Lars zou het genadeschot geven. Daarvan was ik overtuigd, onvermijdelijk zou ik uit de groep worden gegooid. Nog nooit was ik zo bang geweest, maar ik ging. Zelfmoord kon altijd nog.

Het was niet dat ik mezelf verloochende, of althans. Nu ja, dat idee had ik toen niet. De dag dat ik mezelf opgenomen wist in het collectief groeide mijn zelfvertrouwen. Mijn angsten verdwenen. Letterlijk, als het op matten aankwam ging ik er stevig in en genoot de waardering van Mark achteraf. Als stille jongen ontdekte ik dat droge, maar vooral groffe opmerkingen bij de anderen scoorden. Ik zei nog steeds niet veel, maar ik liet af en toe een racistische opmerking vallen. Een sneer naar homo’s of het kleineren van vrouwen werkten ook goed. Achteraf was ik misschien wel de motor van een xenofoob, vrouwonvriendelijk en antihomo sfeertje.

Het welkom was gewoon geweest. De stemming was uitgelaten. Eerst voetbal kijken daarna de stad in, het kon niet anders. Ik zei niets, keek mijn vrienden niet aan en zat afzijdig op een kamerstoel, terwijl iedereen op de banken lag te kijken naar een realityprogramma met lekkere wijven. Ik wachtte, onopgemerkt door de anderen en staarde naar de grond. Het was Lars die me uit mijn angstige wereld trok, ‘Jezus Christus wat zie je eruit man, heb je gezopen ofzo.’ Iedereen keek nu naar mij, ik zat als verstijfd. Nu zou het gebeuren. ‘Paracetamol ligt in het badkamerkastje boven, als je het niet kunt vinden roep je maar’, vervolgde Lars. Nu kon ik niet anders dan opstaan om naar boven te gaan. Het interesseerde niemand een fuck, Lars zat alweer op de bank.

In vriendschap is niemand zichzelf toch? Ik had nog nooit zulke sterke vriendschap gekend, ik wist het niet. We praatten niet over onszelf, eigenlijk niet eens over elkaar. meer dan wie met wie geknokt of gezoend had, wisselden we niet uit. God, de jongens konden wel wees zijn, we hadden het nooit over thuis. Broers, zussen? Geen idee, hoewel iemand wel eens zei als: ‘dat hoorde ik van mijn broer’ ofzo. Maar een beeld van de thuissituatie had ik niet. Of mijn vrienden gelukkig waren? Vraag het me niet, we waren gelukkig met elkaar, dat wist ik. Uren en uren laafden we ons aan elkaars gezelschap, dat was genoeg.

In de spiegel zag ik dat Lars gelijk had, ik zag er beroerd uit. Naar beneden durfde ik niet. Hoelang stond ik daar? Opeens kwam Lars binnen: ´Waar blijf je man?’ Hij keek in de spiegel naar mij en voor het eerst die avond keek ik terug. Zijn prachtige, jongensachtige grijns betoverde meteen weer. ‘Ik zie jou ook graag’, zei Lars, ‘maar dan anders.’ Even legde hij zijn arm om mijn schouder. Verbeeldde ik het mij of drukte hij mij kort tegen zich aan?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *