Prima plek, dacht ik. Niet dat het veel uitmaakte waar je ging liggen: zo vroeg op de dag had je bijna het hele strand voor jezelf, zeker half september.

Ik legde mijn strandlaken tegen een van de heuveltjes die mogelijk ooit zou aangroeien tot een heus duin en maakte van mijn rugzak en kleren een kussen. Zo, zonnehoed diep over mijn gezicht en even gestrekt. Dat mocht ook wel na ruim een uur lopen door mul zand: het was hoogwater.

Ik deed mijn ogen dicht. Het geluid van de branding was wel te horen, maar verder was het stil. Ook de meeuwen lieten zich even niet horen.
Helemaal loskomen van de aarde lukte niet, want ik hoorde in de verte een vrouwenstem die op een onvriendelijke toon iets onverstaanbaars riep. Het kon onmogelijk voor mij bestemd zijn, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn loomheid.

Ik richtte me wat op en keek steunend op mijn ellebogen in de richting waar de stem vandaan kwam.

Twee mensen kwamen mijn kant op. De voorste, een vrouw in een kort blauw strandjurkje, draaide zich al lopend half om en riep iets naar de man die een meter of tien schuin achter haar liep. Ik meende iets te verstaan als: ‘Rot op, ik heb je niet nodig!’  Haar woorden hadden geen effect, want de man in zijn rood-witte shirt bleef gelijke tred met haar houden.

Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen. Het strand was immens groot en waarom kwamen ze, het leek doelbewust, nu uitgerekend deze kant op? Ik ging wat meer overeind zitten om aan te geven dat de plek waar ze naar toe liepen toch echt bezet was. Het werkte niet. Integendeel leek het, want toen de vrouw, die een groot formaat zonnebril droeg, me op een meter of dertig genaderd was, stond ze stil en zwaaide naar me. Het verwarde me. Ik wist ondanks de zonnebril zeker dat ik haar niet kende. Ook de man achter haar liep niet verder zag ik.

Toen deed de vrouw twee stappen vooruit en zwaaide weer naar me.

‘Hé pa! Eindelijk. Wat lig je ver weg vandaag!’

Ze zwaaide nog een keer.

Ik was te verbouwereerd om niet, zij het wat mat, terug te zwaaien.

Ze draaide zich weer om en met bitse stem zei ze tegen haar mannelijke schaduw: ‘Snap je het nou, klojo? Ik heb je niet nodig. Nu niet en nooit niet. Moet mijn pa ook nog proberen je dat duidelijk te maken?’

Ik merkte dat mijn blik bijna vanzelf iets dreigends kreeg.

De vrouw liep nu naar me toe. Ik aarzelde om te gaan staan en bleef op mijn handdoek zitten.

Toen ze voor me in het zand hurkte, leek ze me niet ouder dan een jaar of 25. Ze schudde haar lange donkere  krullen naar achteren en zei zacht: ‘Bedankt pa. Ik leg het uit, maar wil je ook nog even opstaan? Anders blijft hij.’

Zo soepel als ik kon stond ik op en keek naar de man die dichterbij gekomen was.

‘Hé! Niet gehoord?’ Ik probeerde mijn stem bars te laten klinken.

Het meisje was naast me komen staan en riep boos: ‘Nou? Niet gehoord?’

De man aarzelde, haalde toen zijn schouders op en liep langzaam terug.

Wij bleven nog even staan tot hij buiten gehoorafstand was.

Toen draaide ze zich naar me toe, deed haar zonnebril af en gaf me een kus op de wang.

‘Nogmaals bedankt pa. Namens je dochter Vera!’

Ik moet erg raar hebben gekeken, want ze lachte een vrolijke lach.

‘Pappa Max wist van je bestaan niet af, maar je broers zullen het leuk vinden, een zus erbij. En zo onverwacht.’

Ze speelde het spel mee: ‘En je vrouw? Ik denk minder …’

Ik gaf niet direct antwoord. Ze hoefde niet alles van me te weten. Wat wist ik van haar? Niets.

Ze zag blijkbaar mijn aarzeling om te antwoorden en vroeg: ‘Mag ik nog een gunst vragen? Zou ik hier een poosje kunnen blijven voor het geval die engerd …?’

Weer was mijn antwoord niet erg spontaan, maar ze bleef me vragend aankijken.

‘Goed,’ zei ik. ‘Ik snap het.’

Ze ging naast me zitten in het zand en vertelde van de man die haar al jaren volgde en op de vervelendste momenten opdook. Ik had medelijden met haar, hoewel ze er geen drama van maakte.

‘Ik neem even een duik’, zei ik toen ze klaar was met haar verhaal. ‘Dan loop ik straks een eindje met je mee’.
Ze knikte dankbaar en zette haar zonnebril weer op.

‘Ik wacht’, zei ze.

Toen ik tien minuten later opgefrist uit het water kwam, was de plaats naast mijn baddoek leeg. En bleek mijn kussen duidelijk ‘opgeschud’. Mijn portemonnee, telefoon en fototoestel waren verdwenen, evenals mijn waterfles.
Heel in de verte zag ik iets blauws in grote haast de trap opklimmen naar de dichtstbijzijnde parkeerplaats.
Ik wist dat ik haar nooit in zou kunnen halen en dat er misschien wel een auto  op haar stond te wachten, met draaiende motor.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *