Zijn huis ruikt naar sigaren, pizza en verlepte rozen. Ik geef hem een hand en stel me voor: ‘Eline van het Maatjesproject.’ Hij mompelt iets onverstaanbaars en kijkt me nors aan.

‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Niets, je kunt beter vertrekken.’

Mijnheer De Bruin is lastig, zeiden ze me. Niet bereid om hulp te aanvaarden. Mijn drie voorgangers gaven er de brui aan.

‘Samen een kopje koffie drinken kan toch wel?’

Zijn ogen lichten op. ‘Ach ja.’ Hij schuifelt naar de keuken. Door een kier van de deur zie ik dat het aanrecht overvol staat. Hij vult de waterkoker.  Met een natte theedoek maakt hij een paar kopjes schoon.

‘Hier, oploskoffie,’ zegt hij. De bruine vlekken van de vorige koffie zijn nog zichtbaar. Ik onderdruk de neiging tot kokhalzen. Bitter is de smaak, maar ik drink het kopje leeg.

‘Jij bent anders dan die vorige dames. Ze hadden commentaar op de hygiëne, maakten mijn kasten open om schoonmaakmiddelen te zoeken. Toen ik er iets van zei, liepen ze kwaad weg.’

‘Zeg maar waarmee ik u van dienst kan zijn.’

‘Kun je het water van de rozen verversen?’ vraagt hij. ‘Nee, niet weggooien. Ik kocht ze voor haar.’

Ik pak de stinkende vaas van tafel en loop naar de keuken. Rozenblaadjes laten een spoor na op de groezelige, beige vloerbedekking. Ik zoek een lege plek in de gootsteen om de vaas neer te zetten en vul deze met schoon water.

Een glimlach trekt over zijn gezicht. ‘Iedere zaterdag kocht ik rode rozen voor haar en elke keer zei ze weer: “Je verrast me.”’

‘Wat attent van u.’

‘Zij was de liefste vrouw van de wereld,’ zegt hij, terwijl hij in zijn ogen wrijft. ‘Ruim een half jaar geleden nu: een hartstilstand, van het ene op het andere moment was ze dood.’

Hij laat een foto zien. ‘Vorig jaar gemaakt.’

Ik zie een frêle vrouw met grote blauwe ogen en koperbruin haar. Hem herken ik bijna niet: een gesoigneerde man in een donkerblauw glanzend maatpak met een brede glimlach. ‘Bent u dat?” vraag ik.

‘Er is weinig van me over,’ zegt hij. ‘In de spiegel kijk ik niet meer, voor wie zou ik me mooi maken?’

‘Hebt u kinderen?’ vraag ik.

‘Niet meer … We hadden een dochtertje. Mijn vrouw is er nooit overheen gekomen.’

‘Mag ik nog eens terugkomen?’

Hij knikt zwijgend.

 

Zelfs na een wandeling naar huis in de frisse lucht is de vieze geur niet verdwenen uit mijn kleding. Ik neem een douche en trek schone kleren aan. Steeds zie ik zijn treurige gezicht voor me.

‘Neem je werk niet mee naar huis, anders brand je binnen de kortste keren op,’ adviseerde mijn docenten keer op keer tijdens de voorbereidende cursus.

Zij hebben makkelijk praten.

 

Een week daarna stap ik zijn kamer binnen. Hij heeft deze keer schone kleren aan en op de tafel staat een grote roze doos. ‘Van de zolder gehaald. Eindelijk. Zou je me willen helpen?’

Stapeltjes kinderkleding liggen op kleur en maat. Ook een aantal knuffels. Wat valt er uit te zoeken, denk ik. Alles is geordend.

‘We zouden ze samen opruimen, maar er is nooit iets van gekomen. Zolang we haar kleding nog hadden, was onze dochter nog een beetje bij ons. Nu is het allemaal zinloos.’

We zwijgen.

‘Vandaag zou ze dertig zijn geworden.’

‘Precies zo oud als ik.’

Zijn ogen vullen zich met tranen. ‘Zou jij de doos willen meenemen? Je weet er vast wel een bestemming voor.’

‘Ik? U kent me nauwelijks. Weet u het zeker?’

‘Heel zeker.’

Van de rozen zijn nog slechts de stelen over. De tafel ligt bezaaid met dorre rozenbladeren.

‘Gooi ze nu maar weg. Ik bleef doorgaan met rozen voor haar kopen tot drie weken geleden.’

Behoedzaam veeg ik de blaadjes bij elkaar.

 

‘En, hoe gaat het met mijnheer De Bruin?’ vraagt  mijn leidinggevende. Ik vertel over mijn bezoeken aan hem. Ook over de doos met kinderkleding die hij me meegaf.

Ze verschiet van kleur: ‘Dat kan je toch niet zomaar doen? Niets mag je aannemen, helemaal niets.’

‘Maar hij …’

‘Je kent de regels, die hebben we uitvoerig besproken bij de introductie.’

‘Ik ben zijn maatje en dat doen vrienden voor elkaar.’

‘Breng de doos maar hiernaartoe en dan zorgen wij ervoor dat deze weer teruggebracht wordt.’

Ik antwoord niet en verlaat de ruimte.

 

Op straat ren ik alsof iemand me op de hielen zit.

Thuis staat de doos nog op de plek waar ik hem neerzette. Nooit zal ik deze terugbrengen, wat ze ook zeggen. In de hoek van de tuin is een open plek; met de spade graaf ik een diep gat en plaats de doos erin.

Ik snijd rode rozen af en haal mijn handen pijnlijk open aan de dorens. Een paar rozen leg ik op de doos, dan dicht ik het gat met zwarte aarde.

Met een boeket in mijn hand wandel ik naar mijnheer De Bruin.

‘Alstublieft, deze zijn voor u. Mag ik ze in de vaas zetten?

Zijn ogen glanzen. ‘Je lijkt op haar,’ fluistert hij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *