Het is bijna elf uur in de ochtend als hij een flikkering waarneemt. Zijn lichaam verstijft. Op het dak van het appartementencomplex waar hij woont, lijkt de lucht stil te staan. Alleen het koeren en klapwieken van duiven is te horen. En ver weg, als een branding, het rumoer van het stadsverkeer. Hij durft niet te bewegen.

Een vrouw opent een raam in een huizenblok aan de overkant. De schittering wordt een zon en verdwijnt dan. Met een zakdoek veegt hij het zweet van zijn voorhoofd en kijkt om zich heen. Naar het gebouwtje van witte pleister waar een krat bier en wat schoonmaakspullen in staan, naar het zitje dat de suggestie wekt van een dakterras.

Boas schuift een van de keukenstoelen onder het kantelraampje van het stenen gebouw en gaat er op zitten. De stoel kraakt onder zijn gewicht. Zijn blik glijdt naar de rand van het dak, naar de omringende gebouwen. Hij wordt omgeven door een leger van betonnen wachters in grijs, oker- en witaccenten, afgebladderde verf op betonnen balkons waar was hangt te drogen, daken met schotelantennes, zonnepanelen en ventilatoren van airconditioning.

 

Hij is ziek. Zijn vrouw kon laatst de afstandsbediening van de tv niet vinden en pruttelde verwijten. Samen hadden ze gezocht en met het verstrijken van de tijd was het besef neergedaald dat zijn ziekte wel eens de reden kon zijn van de mysterieuze verdwijning. Hun zwijgen, op hun knieën, die stilte, had hem naar de rand van wanhoop gebracht.

‘Het geeft niet’, had ze gezegd. ’s Avonds vonden zij het apparaat naast de jonge kaas, in de koelkast. De diagnose van de neuroloog had maanden eerder al een gat in hem geslagen.

Zonder zijn hoofd te bewegen, klopt hij een pluisje van de broek van het officierspak dat hij draagt. Alle wolken zijn die nacht verwaaid, de zon brandt op de lichtgroene stof die zich strak om de bovenbenen spant.

Misschien moet hij opstaan en de hele operatie afblazen. Moshe zal het begrijpen, gewoon naar huis gaan alsof er niets is gebeurd. Ze zullen ’s middags een strandwandeling maken. Zolang dat nog gaat, zijn vriend is ook ziek. Longkanker vecht zich een weg naar buiten tijdens gewelddadige hoestaanvallen.

Maar hoe zou hij kunnen? Dit was immers de inlossing van de levenslange belofte van Moshe aan hem, van de schuld die in de woestijn was ontstaan; er was goudgeel zand en een wind die lauw over de heuvels rolde als een streling, een nederzetting van angstige mensen en een watertoren. Moshe keek in de loop van een revolver en riep om genade. Het doffe geluid waarmee de kogel in de schedel van de belager sloeg, liet een piepende stilte achter. Van achter een raam keek een vrouw met een bronzen gelaat hen aan. Moshe draaide zich om en keek op naar de watertoren. Naar hem. Moshe stond sindsdien bij hem in het krijt, het macabere verbond ontstond jaren later.

Of er een vorm van behandeling was, had hij de arts gevraagd. En vooral: wat als de dood trager was dan de dreigende nacht in zijn hoofd? De arts had zijn armen over elkaar geslagen en zijn hoofd geschud: wat hem betreft was het in Gods handen. Zijn trots had hem belet om te smeken.

Elf uur. Hij houdt zijn arm bij zijn oor, hoort het slaan van de secondewijzer.

 

De ruimte ruikt naar wasverzachter en prikkelt zijn slijmvliezen. Moshe Friedman draait hijgend van het traplopen de lamellen open die voor een schuifraampje hangen. Een wasmachine zoekt zoemend naar het juiste programma.

Hij haalt zwaar en piepend adem. Na een diepe zucht klimt hij op de wasmachine, krimpt ineen en trekt met een gerichte beweging een zakdoek uit zijn broekzak. Net op tijd weet hij een hoestaanval te smoren in de doek. Hij hoest fel en voelt hoe de pijn zich verspreidt tot in zijn bekken. Met betraande ogen bekijkt hij de rode vlekken in de zakdoek. In hem vloeit nog veel meer bloed onhoorbaar weg uit tientallen haarvaten die bezwijken onder de druk van tumoren. Pikzwarte ontlasting getuigt van het leven dat langzaam uit hem weglekt.

Met een verrekijker speurt hij de daken af. Al snel ziet hij hem zitten tegen het witte gebouwtje, zoals afgesproken. Moshe beweegt nerveus met zijn lippen.

Deel twee van de afspraak was: kies een willekeurig gebouw in de directe omgeving uit. Bij een aantal flats was het dak vrij toegankelijk, zo wisten zij. De deal was een feit, hij kon zijn schuld aan Boas inlossen. Met tegenzin, maar dat maakte nu niet meer uit.

Hij opent hoestend de ritssluiting van de sporttas die hij bij zich heeft. Een duizeling tovert zwarte vlinders op zijn netvlies.

 

Het is maar een twinkeling, een minuscule verandering in het weefsel van steen dat  luitenant Boas omringt. Impulsief volgen zijn ogen de beweging. Bevend richt zijn rechterarm zich op om te salueren. Dan klinkt er een knal, een kogel doorboort de muur vlak naast zijn linker slaap. Twee duiven vliegen op. In een tegenoverliggend pand glijdt een lichaam van een wasmachine, een bloedrode zakdoek valt op de grond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *