Haar adem voelt warm. In het condens dat ontstaat tekent Anna een hartje: het omsluit de dokter. Met geknepen ogen tuurt ze naar hem, door het hart heen. Daar staat hij, bovenaan de dijk: dokter Eenling. Met de huizen en het open veld onder hem, en zijn zwarte mantel zo half opengewaaid, heeft dokter Eenling het karakter van een held. Anna glimlacht en laat hem met de rug van haar hand verdwijnen, en weer verschijnen. Een heimelijk kiekeboe.
Waarom had hij haar niet gevraagd om naar de praktijk te komen?
Licht raakt haar voorhoofd het raam, nieuw condens en daaronder, ziet Anna, loopt het hart uit, trekt strepen op het raam, eentje schuin door de dokter heen. Ze onderdrukt het verlangen om er een pijltje van te maken, vlak voor de punt van haar zakdoek alles wegveegt.

Op deze plek waar ze staat lijkt het alsof ze de wandelaars op de dijk kan sturen. Anna legt haar hand tegen het koude raam en wandelt een stukje met Dokter Eenling mee, traag over het glas. Met haar hand kan ze hem omvatten. Even maar, want hij wordt al snel groter en groter, en Anna haast zich naar de deur. Daar neemt de dokter weer vertrouwde proporties in.
‘Windje, zeg.’ Dokter Eenling glimlacht naar haar, en fatsoeneert zijn haar.
Anna staat onhandig bij de deur, ineens een verlegen meisje, misschien moest ze hem vragen of hij koffie wil.
Zwart, gokt ze.
De dokter kijkt haar verwachtingsvol aan, legt het hoofd in de nek, en loopt vlak langs haar naar binnen. Ze sluit even haar ogen. Hij ruikt lekker. In de hal neemt ze zijn jas aan. Zijn mantel is zwaarder dan ze dacht. Ze zou de jas om zich heen willen leggen.

Had hij haar soms gezien? De dokter neemt exact dezelfde plek in bij het raam, precies daar waar zij net nog had gestaan. Er trekt een rilling door haar lijf. ‘Je mag je uitkleden’.
Zijn toon is formeel, de kamer niet. Haardvuur likt met hoorbare vonkjes de dokter dichterbij, legt een gloed op zijn wangen. Koffie, ze moet vragen of de dokter koffie wil.
Er is nog tijd, denkt Anna.
De zon is van een winterse schoonheid en wijst hen op details in de kamer. Licht valt op haar schouders, op de bloemen op haar jurk. Ze kijkt er naar. Wonderlijke bloemen richten hun kop en maken de lente in haar wakker. Langs Anna’s been gaat een groene steel. Ze voelt zich rood worden. Ziet de dokter dat ook?
Anna toont hem snel het litteken. Het jeukt een beetje. Het was nog maar twee maanden terug dat ze haar linkerborst hadden weggehaald.
Kanker.
‘Neem alle tijd die je nodig hebt,’ had hij tegen haar gezegd.

Het fascineert Anna om te voelen hoe haar ribbenkast bloot ligt. Ze moet er telkens aan voelen. Alsof hij haar gedachten kent, zo zorgvuldig gaat Dokter Eenling te werk. Zijn hand glijdt bijna teder langs het litteken, langs de recent vrijgekomen ribben.
Onder zijn vingertoppen richt zich een borst die er niet is.
’Het geneest goed.’
Hun blikken kruisen elkaar en de dokter buigt zijn hoofd. Ze moet het zeggen. Nu. Dit is het moment om de man uit de dokter te trekken, beleefdheid in te wisselen voor een bekentenis.
De klok tikt hardop seconden in de kamer.

Als we al onze momenten zouden moeten nagaan waarop we dingen wilden zeggen, of doen, en dat niet hebben gedaan. De melancholie van wat we voor onszelf droomden, van wat had kunnen zijn. Als.

Gelijktijdig gaan de handen van Anna en die van de dokter naar zijn jas aan de kapstok.
‘Tijd, Anna, vergeet dat niet, geef het tijd!’ Zijn ogen staan zacht, terwijl hij dit zegt.
Anna knikt.
De liefde heeft alle tijd van de wereld.
Als de dokter het pad weer omhoog gaat, verkleint ze hem. Tot een miniatuur in haar hand, een hart op het raam, een stip langs de dijk. Haar hand glijdt gedachteloos over de bloemen op haar jurk, streelt haar nieuwe vormen, dit is haar lijf. Ze slikt.
Een besef. Ze moest het eerst aan zichzelf geven. Zichzelf de tijd geven. Eerst maar eens koffie voor zichzelf zetten. En wat mooie muziek opzetten. Eerst ik, denkt Anna. Ze neuriet. Er welt een lied in haar op. Een levenslied.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *