1992

We wisten allemaal feilloos hoe we onze lijven door het gat in de omheining moesten manoeuvreren. Met je linkerhand het prikkeldraad boven je omhoog duwen terwijl je met je rechtervoet het prikkeldraad onder je plat stampt en dan kin op de borst en je rug bollen alsof je een koprol wil maken. Dan paste je er precies doorheen zonder dat het prikkeldraad in je shirt of broek een enorme winkelhaak zou maken.
Merijn ging als eerste, hij was het meest geoefend en schoot als een kleine rat door het enige echte obstakel. Wij volgden hem in een iets langzamer tempo, maar kwamen allemaal zonder kleerscheuren aan de andere kant van de afrastering uit.
We hadden vier potjes Monopoly achter elkaar gespeeld, net als de dag ervoor, en de dag daarvoor, en die daarvoor. En toen niemand meer enthousiast reageerde op ‘nog een potje?’ had Merijn verveeld gesuggereerd ‘dan maar naar de fabriek?’.
Schouderophalend waren we akkoord gegaan en waren we in de hitte de Nutherweg afgesjokt tot we via de verlaten parkeerplaats de achterkant van de fabriek bereikten. De zoete geur van de fabriek baande zich een weg door de plakkerige zomerlucht.
Hoewel we de brandnetels de afgelopen weken regelmatig hadden platgetrapt, prikten er toch weer een aantal planten gemeen op mijn blote benen toen we langs de blinde muur van de fabriek slopen. Vlak langs de muur gingen we de hoek om. De drie op elkaar gestapelde bakstenen lagen al op ons te wachten bij het derde raam. Het was nu Pieters beurt voorop te lopen en plaats te nemen op het stapeltje bakstenen. Hij was de langste, dus de klos. Terwijl wij op de grond neer ploften, met de rug tegen de muur, begon hij met zijn taak.
Kloppen.
Blijven kloppen.
Geduld.
Er was een tijd geweest dat je niet veel geduld nodig had. Maar het was zomervakantie, we kwamen hier een stuk vaker dan de rest van het jaar, en hoe vaker we hier kwamen, hoe meer ons geduld op de proef werd gesteld.
Pieter bleef kloppen. Wij hingen tegen de muur, zuchtend van de warmte. Ik krabde aan de witte bultjes op de rode plek op mijn been.
Niemand dacht aan opgeven, zelfs Pieter niet. We hadden alle tijd. Het enige wat op ons wachtte was verveling. En een zoveelste hotel op de Kalverstraat. En we wisten dat we beloond zouden worden. Als we maar geduld hadden. Hoelang het soms ook duurde, we wisten dat er altijd een moment kwam dat ze ons zo zat waren dat ze overstag gingen. We hadden tot nu toe altijd van ze gewonnen.
Pieter wisselde zijn tempo af. Snel met twee afwisselende knokkels, langzaam met al zijn knokkels tegelijk. Ik benijdde hem niet, maar hij leek zelf geen last te hebben van de rolverdeling. En hij wist natuurlijk dat de regel was dat de klopper er één extra kreeg.
Net toen ik begon te denken dat het misschien nu toch echt niet meer zou werken, klonk het verlossende gepiep van de vergrendeling van het raam. We sprongen allemaal meteen op, als afgetrainde honden. Uit de kier van het raam stak de hand, gestoken in een wit handschoentje, erboven ving ik een glimp op van het witte haarkapje.
“En nu opsodemieteren, nondepie,” snauwde een lage vrouwenstem nors onze kant op.
Het pak verse wafels kwam precies in mijn handen terecht. Voor ieder één en twee voor Pieter.
Tijd voor een nieuw potje Monopoly.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *