Ik nam een proefrit in een Ice Cream Van bij een bedrijf in de buurt van Dokkum dat Harry’s & Hans’ Cars and Vans heette.
Ze was prachtig, ze verjoeg de problemen rondom het faillissement en de schulden uit mijn hoofd. Ze was al van mij en wie zou er naar me zoeken in een ijscowagen? Haar lichtblauwe teint overstraalde de bruine plekjes die volgens Harry’s & Hans’ geen roest konden zijn. Freckles. Sproetjes. Ze heette Whippie. Zo stond het in heldere plakletters boven de voorruit. De W liet al los.
In de showroom vond ik de baas in een glazen hok. In een hoek lag een matrasje met een verfrommeld dekbed. Het stonk er naar dichte ramen.
‘Harry of Hans?’ vroeg ik.
‘Hans is dea,’ zei hij. En verduidelijkte zichzelf kort toen hij begreep dat ik geen Fries sprak. ‘Dood.’
Hij leidde me door de showroom. Langs de chromen bumpers van de Chevrolets, liet zijn grove hand over de vleugels van een lichtblauwe Buick gaan. Het was ooit een boerenschuur, en nu de plek van de grootste importeur van Amerikaanse auto’s in Nederland. Ik was er zomaar tegenaan gereden. Nederland was klein maar hier was ik nog nooit geweest. Harry wees me mooie wagens, maar ik had mijn keuze al gemaakt.
‘Prima, prima. Ik stuur Charlie met je mee. Dan verdwaal je niet.’ Hij wees naar de jongen die op een stoel bij de pomp op klanten zat te wachten. Het USA-petje zweefde op zijn donkere kroeshaar en de blauwe overall stak mooi bij zijn donkere huid af. Het zag eruit alsof hij sliep.
‘Charlie,’ riep hij.
De jongen kwam langzaam overeind.
‘Lui baarch! Charlie! Hjir komme.’
Harry keek het aan, schudde zijn hoofd. ‘Lui, lui, lui…’ mompelde hij en richtte zich naar mij: ‘Hij spreekt Fries. Ja, en een Congolees dialect. Maar met Fries kom je hier het makkelijkst weer terug.’
‘Of Nederlands,’ zei ik.
‘Dat hebben we hem niet geleerd. Dan weten we dat hij niet ver komt…’
Charlie kwam aangesloft en sloot zich bij ons aan.
‘No hup,’ zei Harry en hij sloeg Charlie op zijn kont. ‘Derijn en ride. Let him derfan genietsje. En ferkeap dat ding as do noch ris by dy pomp wei komme wolst.’
De jongen keek zijn baas van onder zijn petje aan. Bijna onmerkbaar schudde hij zijn hoofd, en stapte toen in.
Ik ging achter het stuur zitten en traag reed ik het terrein af. In de spiegel zag ik Harry tegen de banden van mijn Toyota schoppen. Hij keek door de raampjes. Ik leefde er al een week in. Ik sliep op de achterbank met mijn knieën gebogen en mijn rug in een stuiptrekking. Het was niet vol te houden. Whippie bood meer ruimte.
‘Hjir rjochtsôf,’ zei Charlie en wees de richting.
Ik draaide de weg op.
‘Harry is een ruwe baas,’ zei ik.
‘Harry is in kloatsek. Ik mis Hans,’ zei Charlie. ‘Hans wie freonlik.’ Hij haalde adem en sprak langzaam: ‘Hij leerde me Nederlands…’
Ik knikte. Hield mijn ogen op de weg. Volgde de aanwijzingen van Charlie en even later zaten we op de snelweg richting Groningen. Met 60 Miles/Hr reed Whippie het lekkerst. Het lawaai was enorm. Ik draaide aan de radio, meer dan ruis gaf die niet. Na een tijdje riep ik of we niet eens om moesten keren. Ik wees naar een afrit. ‘Terug naar Harry?’
Maar Charlie schudde zijn hoofd. Hij wees met zijn hand, ‘foarút, foarút’. Hij begon hardop te praten. Hij had het over Harry. We reden Groningen voorbij, over de A7 richting Bad Nieuwenschans.
Het had geen zin naar hem te luisteren. Het lawaai, het Fries, alles zat begrip tegen. Harry en Hans. Maar Hans niet meer. Met die twee had Charlie te maken. Er zat een verhaal achter, een levensgeschiedenis. Hij was geboren onder de Afrikaanse zon. Hierheen gekomen. Enkel het Fries geleerd. En waarom? Stomme Friezen. Ik zou erachter komen. Zolang als deze rit duurde hadden we de tijd. Maar ik had ook mijn eigen zaken. Het bedrijf. Prioriteiten en schulden. Hoe lang zou het duren voor ze de Toyota vonden…? Wanneer zou Harry alarm slaan? Zo reden we langs de afslagen Scheemda en Midwolda. Opgewonden bleef Charlie ‘foarút, foarút’ roepen. We gingen onze vrijheid tegemoet.
We reden over de grens met Duitsland. ‘Hamburg,’ zei Charlie en hij lachte met zijn witte tanden. ‘Kopenhaagen. Maalmo. En fierder.’
‘Stockholm,’ riep ik opgewekt. ‘Helsinki. Sint Petersburg.’
Nederland was te klein voor ons. We hadden ruimte nodig. Hoe meer ruimte hoe meer tijd. We begonnen samen een nieuw leven! De oneindige luchten en landschappen van Zweden, Finland en Rusland gaven ons mogelijkheden…
En Charlie begreep het ook. ‘Sint Pjetersbjorg,’ zuchtte hij gelukzalig.
Het was een ijdel plan, en terwijl ik het gaspedaal vol indrukte geloofde ik erin. Kinderen zwaaiden naar Whippie door de achterruiten van zwarte Volvo’s en Volkswagens en losten op in de verte. En zolang we reden, en zolang er auto’s aan het eind van de weg verdwenen, hield ik hoop, want daar in de verte konden ook wij in de ruimte verdwijnen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *