Ooit had ik negen vijanden en een vriend met een oude wasmachine. Vijanden zijn onprettig, ze hebben een hekel aan je en komen zelden op bezoek. Mochten ze toch een keer onverwacht aanbellen dan doe je gewoon niet open. Een goede vijand snapt waarom, je hoeft niets uit te leggen wanneer je hem de volgende dag onverwachts bij de bushalte tegenkomt. Dus zo gezien heb je er weinig last van. Vrienden daarentegen zijn wispelturig. Zo ook mijn enige vriend, die ik al kende sinds de lagere school. Het klikte direct, vanaf de eerste dag dat we elkaar tegenkwamen bij de bushalte. De vriend was een goede vriend: sociaal, vriendelijk en attent. Ik vond het in die tijd al verdacht. Het werd er in de loop der jaren niet beter op. Hij hielp me altijd als ik in de problemen kwam, zonder er ooit iets voor terug te vragen. Hij stond vaak zomaar en onverwacht voor de deur. Voor de gezelligheid. Op een winterse dag begin februari redde de vriend mijn leven door razendsnel te handelen nadat ik door het ijs zakte. Hij gebruikte inventief zijn leren riem om mij uit het water te trekken en sloeg daarna zijn bomberjack om mijn rillende schouders. Hij hoefde de jas niet terug. Mijn verjaardag sloeg de vriend nooit over en hij had vaak een verrassend cadeau.

 

De jaren gingen voorbij, de vriendschap werd hechter en ik werd onoplettender. Ik begon het zelfs voor lief te nemen, een grote fout bleek. Het was de dag dat hij ging verhuizen. Voor het koningsnummer van iedere verhuizing had hij iedereen kunnen vragen. Bijvoorbeeld zijn sterke oom of slimme broer. Maar nee, hij koos mij, zijn beste vriend. Ik was er al bang voor. Zo stonden we bovenaan de steile smalle trap. Hij aan de onderkant, ik aan de bovenkant zoekend naar iets van grip, wat er niet was. We vinden antisatellietwapens en horloges met GPS uit, maar niemand die ooit de moeite neemt om een fatsoenlijk handvat aan een wasmachine te bedenken. Een kratje bier heeft zelfs twee handvatten, maar het lompe vierkante huishoudapparaat, toch vier à vijf keer het gewicht van vierentwintig volle flesjes, heeft alleen een scherpe rand en wat onduidelijke kuiltjes aan de achterkant. Daar moet je het mee doen. Het gewicht sneed in mijn vingers. Ik stond in een ongemakkelijke houding. Het zweet brak me uit en mijn irritatie steeg sneller dan de spaceshuttle in zijn eerste meters na lancering. Ineens realiseerde ik me waar mijn jarenlange wantrouwen ten aanzien van de vriendschap vandaan kwam. Er komt een dag dat je de rekening moet betalen. En dit was de dag: de dag van de wasmachine. Toen ik het achteraf uitlegde aan de politie was ik al niet meer zeker van mijn eigen verhaal. Of mijn bezwete vingers simpelweg hun grip verloren, of dat ik de wasmachine met een klein zetje gebruik liet maken van zijn eigen loodzware gewicht, niemand zal het ooit weten. Zeker mijn enige vriend niet, want die was op slag dood.

 

Heel even voelde ik me opgelucht, daarna volgde een intens verdriet dat mijn eerste liefdesverdriet ver overschreed. Een knappe prestatie van het verdriet, dat blijkbaar zat te azen op een nieuw wereldrecord. Tijdens de herdenkingsdienst was ik ontroostbaar. Ik kon geen toekomst zonder vriend voor me zien. Toen ik door de tranen heen achteromkeek, zaten daar tot mijn ontsteltenis negen vijanden. De mijne. Zelfs Ernst-Paul, een irritante gast die me eens doelbewust een te dun laagje ijs opduwde, was erbij. Hij leek oprecht medeleven te tonen. De vijanden kwamen deze keer niet om me te pesten of uit te lachen. Het had ze aangegrepen, het verlies van mijn enige vriend. Ze kwamen me condoleren en steunen op deze moeilijke dag. Na afloop knoopte ik, gewapend met een dubbele espresso zonder suiker, voorzichtig een gesprek met ze aan. Het viel mee, het bleken best sympathieke vijanden. Misschien had ik vroeger toch de deur eens open moeten doen. Ze hadden tegenwoordig bijna allemaal een gezin. Een deed vrijwilligerswerk in Zuidoost-Sulawesi, de ander had een dochter die heel goed piano kon spelen. Ernst-Paul was inmiddels een neurochirurg.

 

Nu heb ik negen vrienden en geen enkele vijand meer. Laatst gingen we steengrillen met de hele groep. Er werd heerlijke Pinot Noir geschonken, met een lange bitterzoete afdronk. Er werd gediscussieerd over van alles en nog wat, zonder al te grote meningsverschillen. We vonden allemaal de huizenprijzen te hoog, de temperatuur te laag en de extremisten te extreem. Tijdens het potje Risk dat volgde won niemand. Iedereen was tevreden met een eigen continent, de grote continenten werden gedeeld. Het was gezellig, het werd laat en iedereen was tevreden. Iedereen behalve ik. Iets knaagde aan me. Ik keek om me heen en telde nog eens goed. Negen vrienden dus. Allemaal sociaal, vriendelijk en attent. Allemaal zonder vijand. En alle negen met een wasmachine. Nog in gedachten verzonken hoorde ik mezelf ineens achteloos vragen: ‘Iemand die verhuisplannen heeft?’ Ernst-Paul veerde enthousiast op en vertelde over de aanbouw van zijn net aangeschafte nieuwbouwhuis. Ik leunde achterover en nam een slok van mijn Pinot Noir.

Eén gedachte over “Marco Driehuizen – De wasmachine (Eerste prijs & Baarnsche Courant Publieksprijs)”

  • De wasmachine vind ik het beste verhaal. Goed complot. Origineel verhaal. Verrassingselement! Was het moord of ongeluk dat de vriend overleed! Goed einde! Spannend!Aa

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *